Als je bent gebleven kun je nooit wat zijn

“Mag hij je dan interviewen voor het reünistenblad?”
“Jahoor dat mag, stuur hem maar langs” zei ik.
En hij kwam langs, maar niet voor een interview. Hij was van mening dat ik zelf beter dat stukje kon schrijven en wilde het vandaag hebben. Dus staarde ik gisteravond eerst een paar uur lang naar een leeg word-document tot B. me op het idee bracht waar het over moest gaan. En als ik dan eindelijk begin te tikken komt het meestal wel goed.
Hier een preview voor mijn vrienden. We gaan 35 jaar terug in de tijd. Naar St. Eloy.

Misschien begon het ooit wel op St. Eloy. Bij de schoolkrant. Of bij alle opstellen die ik voor straf moest schrijven en waarvan de leraren niet doorhadden dat dat eigenlijk geen straf voor me was.
Ik heb er nog één bewaard. Die vond ik destijds – inmiddels ruim 35 jaar geleden – extreem grappig. En het hoofd van de gymleraar waarvoor ik hem moest schrijven werd steeds roder terwijl hij hem las. Dat vond ik nòg grappiger.
Het onderwerp van dat opstel moest zijn ‘Het nut van lichamelijk bewegen’. Nou daar kon ik als 15-jarige wel een mooi opstel over schrijven. Dat vond ik althans zelf.
Maar goed, ik schreef dus graag. En dat vind ik nog steeds leuk om te doen ook al heb ik er eigenlijk te weinig tijd voor. Gymnastiek is nooit zo mijn ding geweest. Ik kreeg meestal een mager zesje. Voor de moeite. Tot dat jaar waarin ik dat opstel moest schrijven in HAVO 3. Er was niet zo’n beste chemie tussen mijn gymleraar en mij. Dus kreeg ik voor het eerst ooit een vijf op het eindrapport. Daar had ik niet op gerekend want ondanks alle achten en negens voor de talen en aardrijkskunde en geschiedenis had ik al drie vijven voor natuurkunde, scheikunde en wiskunde. Ik bleef dus zitten op gymnastiek.
Ik mocht wel naar Mavo 4. Prima, dan kon ik daarna iets anders gaan doen. Ik was getest op VWO, maar had er gewoon geen zin in. Ik schreef liever stukjes, maakte radio, ging werken in de horeca.
Uitdagingen zoeken, ontdekken, werken, pionieren.

Het liefst was ik naar de kleinkunstacademie gegaan en cabaretière geworden. Dat vonden mijn ouders echter niet zo’n goed idee. Dat ik daardoor al vrij vroeg in de drank terecht kwam was dan weer geen probleem. Ik was nieuwsgierig, wilde alles weten, zocht alles uit en na tien jaar in de horeca te hebben gewerkt begon ik mijn eigen winkel.
Nu alweer bijna 25 jaar geleden. De tijd vliegt. En toen kwam internet en kon ik in 2003 gaan schrijven voor een publiek. Ik deelde mijn leven tussen flessen.
Dat liep wel wat uit de hand. Ik ging columns in vakbladen en whiskybladen schrijven, schreef twee boeken, ging lezingen in het land verzorgen over Social Media en ondernemen. Daarmee bouwde ik een groot netwerk op. Dat netwerk hielp mij weer en dat doet het eigenlijk nog steeds.
In 2012 verhuisden we onze winkel van Breskens naar Sluis. Met behulp van dat netwerk. Ik was de eerste winkelier die een bijzondere manier van crowdfunding inzette om die verhuizing te financieren. De reden dat dat een succes werd is denk ik dat wij onze funders centraal stelden en niet het geld dat ze bij elkaar brachten.
Er ontstonden prachtige verbindingen tussen ons en al die mensen, maar ook tussen die 126 mensen onderling. Het waren er 126 en met bijna allemaal hebben we ook vijf jaar later nog goed contact. Ze komen soms speciaal vanuit Friesland, Limburg of Groningen naar Zeeuws-Vlaanderen voor ons. Of ze rijden een eindje om op de terugweg van een vakantie in Frankrijk. Dat vind ik nog steeds bijzonder.

Ik ben opgegroeid in IJzendijke, ging naar St. Eloy in Oostburg op de fiets via Turkeye en door de ‘Schanse’ maar Zeeuws-Vlaanderen kent ook zijn beperkingen.
Eigenlijk word je altijd teruggeduwd in de klei.
“Doe maar gewoon.”
“Wie denk je wel dat je bent?”
“En jij denkt dat dat je gaat lukken?”

Ook ik liet me beperken. Tot ik via internet contact kreeg met een grotere wereld, ik ‘door de tunnel’ kon heenkijken en gelijkgestemden trof die me aanmoedigden in plaats van remden.
Omdat er in Zeeuws-Vlaanderen al heel lang een brain-drain gaande is, jongeren die gaan studeren vaak nooit terugkomen, heerst er een diepgewortelde mening dat als je iets kunt je vertrekt. En als je bent gebleven kun je dus nooit iets zijn.

Ik schreef er ooit een liedje over. Je moet alles één keer in je leven hebben gedaan, dus daar hoorde ook een theatershow bij. “Luctor et Aborto” (ik worstel en drijf af).
Het liedje ‘Bie de Vuurtoor’n’ was geschreven op de muziek van ‘Top of the world’ van the Carpenters. Eén coupletje:

Alles zocht ik woit op deze plek
Ik èn ook nwoit hedocht; verrèk moa, ik vertrek
à hie da noe ook snapt
bin ôk hie nwoit ontsnapt
En dan wor je dur voo altîd jelemoa bie

‘k staon bie de vuurtoorn an de nieuwe Slûzze
kiekend over Waterdûnne
’t roare hevoel da mî noe bekrûpt
’t is nog wè min hebied
veuhels zing’n ut wogste lied
en ik ou nog wè van mîn zoute land

2 reacties op “Als je bent gebleven kun je nooit wat zijn

  1. Mooi geschreven. Ik ben wel heel erg benieuwd naar dat opstel…haha. Blijven, weggaan en eventueel weer terugkomen is allemaal relatief. Het gaat het wat mij betreft om of je met een open blik naar de wereld kunt kijken. Die een vindt die blik in verweggistan, de ander bij de eigen vuurtoren.

  2. Grappig, ik ken Saint-Éloy vooral van sterke wijn. Dwz rond 1985 werkte ik in een Noord-Franse staalfabriek en die vieren eens per jaar de beschermheilige van de staalmakers, die St-Éloy dus. Op een dag kwamen we in werkruimte waar flessen met nogal sterke wijn (richtin likeur) en glazen gereed stonden. Na een paar op de nuchtere maag vonden wij het niet meer veilig om daar die dag te werken. ;-)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *