Kronkel

Vandaag zou Simon Carmiggelt 100 jaar geworden zijn. Hij overleed in 1987. Mocht hij vandaag nog in leven zijn en in mijn winkel zijn geweest had hij vandaag misschien wel deze Kronkel geschreven.

Ik wandel de slijterij binnen. Er moet toch iets te drinken zijn als je jarig bent nietwaar? De mevrouw van die slijterij, waar ik regelmatig kom, heeft altijd wel een verhaal voor iedereen. De fles jenever die ik al minstens vijftig jaar elke week koop houdt ze speciaal voor mij altijd op voorraad. Ze heeft me wel al honderd maal verteld dat dat een uitstervend merk is. “Elke keer als er een jeneverdrinker dood gaat verkoop ik weer vijftig flessen minder per jaar meneer, en er komt ook nooit iemand bij die dat merk nog wil meneer, ik koop hem eigenlijk alleen nog voor u, want u leeft immers nog” zegt ze altijd.
Netjes sta ik voor de toonbank te wachten maar er komt helemaal niemand.
Plotseling hoor ik achter in de winkel wat gesnotter. Voorzichtig ga ik op het geluid af. Achter mijn rollator.
De mevrouw van de winkel zit achterin de winkel. Ze zit achter zo’n modern scherm. En ze huilt zachtjes. Uit dat ding, waar ze achter zit, klinkt een sentimenteel liedje dat ik niet ken. Naast haar ligt een klein stapeltje witte servetjes met een opdruk van Bols Corenwyn.   ‘Sommige mensen laten zelfs hun zakdoeken sponsoren tegenwoordig’ denk ik op dat moment. Met één van die gesponsorde servetjes veegt ze een traan van haar wang. Ze vouwt het servetje open en snuit er luidruchtig haar neus in. Ze heeft me niet gezien of gehoord. Dat is wel duidelijk. Ze knijpt het gebruikte servetje tot een propje en ineens ziet ze me toch staan.

“Sorry meneer Carmiggelt, ik had u helemaal niet horen binnenkomen, de deurbel doet het vast weer niet” zegt ze. Ze probeert voor me te verbergen dat ze huilt, maar haar trillende stem verraadt haar toch. En ik had het toch ook al gezien, maar dat laat ik natuurlijk niet merken.
“Een fles Henkes voor u zeker?” Ze wacht niet op mijn antwoord, staat op en loopt naar haar jeneverschap. Ik zie haar bukken en vanaf de onderste plank mijn fles pakken. Die groene waarvan er altijd maar één staat.
Ze recht haar rug, snift nog een keer, haalt haar neus nog een keertje op en loopt richting de toonbank. Ze trekt een beetje met haar been zie ik nu. Ik volg haar in een wat lager tempo. Ook al heeft zo’n rollator wieltjes, mijn oude benen moeten de snelheid van die wieltjes natuurlijk wel kunnen volgen en daar schort het soms een beetje aan tegenwoordig.
“Ik word vandaag 100,” zeg ik terwijl ik mijn portemonnee uit mijn achterzak probeer te peuteren. Mijn vingers willen niet zo heel goed meer de laatste jaren, zodat ik dat knoopje steeds lastiger open krijg. Je zou bijna denken dat in elke nieuwe pantalon die ik koop de knoopsgaten kleiner worden, maar dat is het denk ik toch niet.
Terwijl ik aan mijn achterzak sta te friemelen zegt ze: “Nou gefeliciteerd dan maar, tel uw zegeningen, steeds meer mensen die ik ken halen de vijftig niet eens.” Ze sluit die zin af met een diepe zucht.
Ik durf eigenlijk niet zo goed te vragen waarom ze verdriet heeft. Het is heel even stil. Dat knoopje heb ik nog steeds niet open gekregen en zij staat geduldig op me te wachten. De stilte wordt wat ongemakkelijk. Na een paar stille seconden die wel minuten lijken vraagt ze me: “Zal ik u even helpen?”
“Ach waarom ook niet?”
Doelgericht stapt ze vanachter haar toonbank, gaat achter me staan en maakt het knoopje van mijn achterzak open. Ze peutert er mijn portemonnee uit. Ik moet schoorvoetend bekennen dat die handeling ook niet geheel onprettig aanvoelt. “Zal ik ook het geld voor u pakken?” vraagt ze me terwijl ze de portemonnee al open maakt. “Vindt u het goed dat ik die twintig euro wissel?”
Mijn hele leven is het nooit in mijn hoofd opgekomen dat ik ooit wel eens de Nederlandse gulden zou kunnen overleven en ik heb nog steeds wat moeite met dat rare geld, maar het alternatief, een plastic kaartje in een gleufje duwen terwijl je geld verdwijnt als sneeuw voor de zon zonder dat je het ooit zag door simpelweg een code in te tikken, vind ik al helemaal niks. “Ja doet u maar” zeg ik.
Terwijl ze me het wisselgeld laat zien en dat vervolgens terug in mijn portemonnee stopt zegt ze: “Ik hoorde net dat een vriendin van me plotseling overleed afgelopen week, ze schijnt vandaag al te zijn gecremeerd, ze was 47.”
“Dat is naar mevrouw” zeg ik. Eigenlijk wil ik naar mijn verjaardagsvisite maar ze wil me duidelijk nog iets meer vertellen en ik heb mijn portemonnee nog steeds niet terug. Zoveel verjaardagsvisite komt er nu ook weer niet weet u. Mijn meeste vrienden zijn al lang dood, maar dat terzijde.
“Gek is dat, ik heb een aantal jaren heel intensief contact met haar gehad via chat,” vervolgt ze haar verhaal. Waarschijnlijk kijk ik haar wat niet-begrijpend aan want ze vervolgt: ”Chatten is met iemand praten via de computer meneer.” Ze praat nu wat harder, waarschijnlijk denkt ze dat ik ook nog doof ben.
“Maar dan kende u haar toch helemaal niet?” zeg ik, en terwijl ik dat uitspreek heb ik daar eigenlijk direct alweer spijt van.
“O jawel hoor! We gingen ook samen naar concerten, ik deelde zelfs ooit een hotelkamer met haar. Toen ze in die hotelkamer haar schoenen uittrok bleken er gaten in haar sokken te zitten weet ik nog.”
Ze stopt mijn portemonnee weer voor me in mijn achterzak en doet het knoopje weer dicht. Plotseling begint ze te lachen. “In dat hotel heb ik nooit meer opnieuw durven boeken meneer. Er ging namelijk ook nog een fles rode wijn omver, dat was echt een ongelukje. De witte lakens en het smetteloos witte hoofdkussen zagen er uit alsof er die avond op zijn minst een moord was gepleegd. We kregen de slappe lach en hebben die rode wijn nog wel uit de lakens proberen te spoelen, maar lieten uiteindelijk toch een nat roze laken achter in de badkamer.” Haar lach is inmiddels aangezwollen tot een bulderlach. Ik wil weg.
“Dank u wel, ik ga maar weer” zeg ik terwijl ik met mijn onwillige handen mijn rollator de andere kant op probeer te sturen.
“Nog een fijne verjaardag voor u! Dat er nog vele mogen volgen!” wenst ze me toe, inmiddels breed glimlachend. En ik weet ook nog dat ze dit echt meent. Erg realistisch is die wens echter niet.

Ook al is dit natuurlijk een fictieve kronkel, er zit wel een stukje realiteit in. Rust zacht Ria.

Één reactie op “Kronkel

Reacties zijn gesloten.