Bombardement Breskens

Vrijdag is het 65 jaar geleden dat Breskens gebombardeerd werd. Breskens werd op die 11e september 1944 hard getroffen en nog elk jaar op die datum hebben veel mensen het moeilijk. Inmiddels zijn er meerdere boeken verschenen over het najaar van 1944 waarin West Zeeuws Vlaanderen zoveel te lijden heeft gehad en zware offers heeft moeten brengen.
Vrijdag is ook de jaarlijkse herdenking en wordt de enorme lijst met namen van slachtoffers voorgelezen. Groep 8 van de OBS heeft het monument geadopteerd, Merijn mag vrijdag de vlag halfstok hijsen tijdens de herdenking.
Een paar maanden geleden vroeg mijn moeder me haar te helpen met het vastleggen van wat ze noemde ‘haar levensverhaal’.
Wat zij haar levensverhaal noemde was vooral het verhaal over dat najaar van 1944, de Slag om de Schelde door de ogen van een meisje van 8.
Ze woonde een paar kilometer oostelijk van Breskens in ‘Dillage’ waar ik al eerder eens over schreef. Haar verhaal maakte op mij een diepe indruk, en op de kinderen ook toen ik het voorlas. Met haar toestemming plaats ik het verhaal hier.

Pas in 1944 werd het hier in de streek echt oorlog voor ons gevoel. Er werden vliegtuigen neergeschoten en soldaten gevangen genomen. Overdag hoorden we vaak de sirenes gaan. Op school moesten we dan altijd onder de banken gaan zitten omdat dat de veiligste plaatsen waren.  Op een dag vlogen er veel Engelse vliegtuigen over en die  werden ook neergeschoten door de Duitsers. We zagen Engelse parachutisten uit die vliegtuigen vallen. De school op Slijkplaat was net uit en we waren op weg naar huis. Na de landing moesten ze met de handen omhoog lopen met achter hun Duitse soldaten met gerichte geweren. Wij waren wel erg bang maar ons deden ze niets. Toen we even later thuis waren kwamen een paar Duitsers met veel geweld bij ons binnen met de geweren in de hand. Ons huis stond net achter een dijkje en ze dachten of hadden gezien dat er hier parachutisten geland waren.  Ze gingen overal kijken of die Engelse soldaten misschien ondergedoken zaten. Zelfs het varkenshok werd geïnspecteerd.

Soms werden de Duitsers erg kwaad als ze niemand konden vinden. Zoals die keer toen mijn broertje Ceriel achter de deur zat en een Duitser die deur met geweld opensloeg terwijl hij riep: “Er muss hier wesen!!” Uit woede omdat hij hem niet kon vinden sloeg hij met zijn geweer een stuk van Cerieltje zijn knie, het jongetje was toen vier. Ik was inmiddels acht.

11 september: We zagen de vliegtuigen overvliegen op weg naar Breskens, ze kwamen namelijk uit het oosten. We zagen de bommen vallen op Breskens en alles branden. We mochten niet op de dijk van vader, moesten er achter blijven. Lang duurde het niet. Nog geen half uur later kwamen ze. De mensen die uit Breskens kwamen herinner ik me liggend in kruiwagens, gewond, met veel bloed aan hun gezichten en handen en ze hadden allemaal gescheurde kleren. Dat was angstaanjagend.

Bij ons in de polder was het veilig zodat er een paar dagen na dat bombardement 128 mensen, vluchtelingen uit Breskens,  in en rond die vier kleine arbeiderswoninkjes verbleven

Elke bewoner van het poldertje had wel familie of kennissen die in Breskens alles verloren hadden en nu onderdak kregen.
In alle schuurtjes en hokken lag stro zodat er ook geslapen kon worden. Omdat wij thuis een ouderwetse stenen bakoven hadden werd er elke dag brood gebakken voor al die 128 mensen. Er was geen gist, dus het brood was plat. Maar daar hadden we een oplossing voor gevonden. Van het brood van de ene dag werd een beetje deeg overgehouden wat de volgende dag weer kon dienen als gist.

De haard deed ook dienst. In die haard hing een grote ijzeren pot.
In die pot werd elke dag hutspot gekookt voor al die mensen. Zo had ieder een taak. Het graan van het stukje land van vader werd gedorst. We hadden zelf geen dorsvlegel dus werd het platgeslagen tussen houten planken. Het graan werd vervolgens gemalen in de koffiemolen om meel te maken waar weer brood van gebakken kon worden.
Aardappelen schillen was ook een hele klus. Vader had meestal de leiding bij het schillen en riep elke morgen: “Wie er vanmiddag piepers wil eten moet ze helpen jassen!”

Oom Charel was van de hutspot. Tante Christine bakte het brood samen met vader.
Ook deed tante Christine elke dag de luierwas, ze was eigenlijk baakster en op 1 oktober werd mijn zusje Marie geboren.
Honger hebben we nooit gehad.
’s Morgens was het altijd vroeg dag. Voor het licht werd was het altijd een poosje heel erg stil buiten en hoorde je even geen schoten of kanonnen. Dan was er even tijd om het nodige werk te verrichten.
In het weitje van Minnaard liepen een paar koeien van Provoost uit Hoofdplaat.Tijdens die ochtendstilte konden die gemolken worden en dat was echt mannenwerk. De pap voor ’s middags was er dan al. Er was ook een schaap geslacht, dus vlees voor de hutspot hadden we ook. Op een nacht was er een koe geraakt door oorlogstuig. Die neergeschoten koe betekende weer eten voor de bewoners van de polder. Nee, honger is er daar niet geleden. 

Als ik nu televisiebeelden van toen zie komt het beeld van dat kleine meisje in die polder weer boven. Eigenlijk was ik veel te jong om dit toen allemaal te zien. Het zit nog altijd in mijn gedachten. 

17 oktober 1944; de dag van onze bevrijding.

Op de dag van de bevrijding in de namiddag kwamen de eerste Canadezen gebukt over de dijk gelopen. Oom Charel zat in het kotje, het kotje was het stookkotje waar er gekookt werd. Hij was waarschijnlijk alweer bezig aan de hutspot voor de volgende dag.

Hij zag de Canadezen en riep naar vader: “Daar zijn ze!”
Vader pakte snel een witte luier en legde die op de schuilkelder om aan te geven dat er geen vijanden in zaten. Toch kwamen die Canadezen kijken in de schuilkelder die vader had gegraven in de zeedijk. Daar zaten we met zijn dertienen bijna dag en nacht in.
Slapen deden we er in het stro en we vonden het geweldig te spelen in dat stro, we waren net varkentjes. Er werd flink gevochten om ons heen.
Toen vader Canadezen met grote scheppen gaten in de dijk zag graven bedoeld voor loopgraven is hij er heen gegaan om uit te leggen dat er hier 128 mensen zaten. Hij liet zelfs Marietje zien, die een paar weken oud was en hoe hij het voor elkaar kreeg weet ik niet, maar onze polder is gespaard gebleven in de felle gevechten om ons heen. 

Die avond en nacht regende het hard. Er reden Jeeps over stukken van onze schuilkelder zodat onze kelder begon te lekken. We moesten wel binnen blijven. Er konden in het donker namelijk nog Duitse soldaten verstopt zitten.
’s Morgens was het veilig en zo gauw het licht was gingen oom Peet en oom Charles te voet richting Hoofdplaat om te kijken hoe het met opoe was, de moeder van mijn moeder en niet die van hen. Dat deden ze voor mijn moeder. Toen ze uren later terug kwamen hadden ze slechte berichten. Ze hadden alleen maar ravages gezien overal. Het huis van opoe was helemaal kapotgeschoten en wij konden niet langer in Dillage blijven.
We kregen allemaal een tasje of een zakje met het hoogst noodzakelijkste in onze handen gestopt. Marietje werd in de kinderwagen geladen. Gelukkig had die kinderwagen een diepe bak. Zo vertrok ons gezin met zijn dertienen uit Dillage richting Hoofdplaat. Na ongeveer een kilometer zagen we drie landmijnen naast elkaar de weg versperren. Over die landmijnen lagen geweren. Dat was erg gevaarlijk want als één van ons, we waren allemaal kinderen, een geweer had aangeraakt was er een landmijn afgegaan en had ik dit nu niet meer kunnen navertellen.

We huilden al de hele weg. En we moesten wel over die landmijnen heen.
Vader en Moeder pakten eerst de kinderwagen en tilden die met zijn tweeën over de mijnen heen. Daarna werden wij één voor één opgepakt en bij de kinderwagen aan de andere kant van de mijnen neergezet.
Na nog een stukje lopen kwamen we Piet Dekker tegen. Piet Dekker was een boer van de Hoogweg. Hij had een emmer melk en een emaillen kroes bij zich. Wij kregen allemaal wat te drinken van hem.
Ook zagen we Canadese soldaten met geigertellers om de weg te controleren op munitie. Vader sprak geen Engels maar begreep wel van hen dat het gevaar geweken was. We konden veilig doorlopen richting Hoofdplaat. We kwamen langs het huis van opoe. Tante Christine was een echte vrouw, erg nieuwsgierig en zei: “Ik ga even binnen kijken!”
Alles was kapot, alleen de muren stonden nog overeind. Toen tante Christine terug kwam begon ze te lachen. In de gang bij opoe waar alles kapot was stond een geit. Die geit had het zondagse hoedje van opoe op zijn hoorns. Daar moesten we toen met zijn allen ontzettend om lachen en we stopten dan ook met huilen. 

In Hoofdplaat kwamen we terecht in een bunker, waar we allemaal een bord peekluts kregen. De honger was gestild. Nadat we onze peekluts op hadden werden we in grote legerwagens geladen. De weg was hobbelig. Er zaten flinke gaten in de weg, er was een hoop geschud achter in die wagen. Langs de kanten van de bak stonden banken. Het grootste probleem was de kinderwagen met mijn kleine zusje in. Die baby werd door al het gehobbel bijna uit die wagen geslingerd. De kinderwagen stond overdwars helemaal achterin de laadbak.

Alle mannen stonden rond de kinderwagen om het kindje vast te houden, zodat we het niet zouden verliezen. De reis ging richting Philippine. In Philippine werden we uitgeladen en ondergebracht in een school. In de gang van die school lag een grote berg met kleding waaruit we allemaal iets aangemeten kregen. Na een boterham gekregen te hebben werden we weer in dezelfde wagen geladen en ging het richting Sluiskil. De bevrijding ging van oost naar west, dus hoe oostelijker hoe veiliger. In Sluiskil kregen we onderdak bij tante Celina, een zus van mijn moeder. Daar hebben we een paar weken gewoond en geslapen op stro op de vloer. Maar dat deden we al langer en als het regende zaten we wel droog en warm.”

Geluidsfragment NOS getuigen bombardement Breskens

0 reacties op “Bombardement Breskens

  1. Het moet toen heel heftig zijn geweest. Veel mensen die dit hebben overleefd en nu nog leven, leven nog steeds met die beelden alsof het gisteren was.
    Mijn oude buurvrouw Beun uit diezelfde omgeving op een boerderij in die tijd, zaten 6 weken ingesloten in het vuur. Ze is nu 86 jaar oud en voelt altijd de behoefte om erover te moeten praten…
    Je moeder heeft een heftige tijd beschreven, opdat het nooit meer vergeten zal worden om elke vorm van herhaling te voorkomen!

  2. Het moet écht heel erg zijn geweest. Mijn grootouders hebben het bombardement op Breskens zelf meegemaakt met 2 kinderen (mijn moeder en oom).Beiden (opa en oma) zijn inmiddels overleden, maar zij hebben er nooit over gepraat, dat konden ze niet,zelfs niet na 60 jaar. Wat ik wel weet is dat de broer van mijn opa de eerste golf heeft overleeft maar toen hij hulp wilde bieden hij door de tweede golf is omgekomen,hij is nooit meer terug gevonden.